Interview met Karel van den Berghe

Pandemie en (werk)landschappen

Wanneer je de circulaire economie niet vanuit de vraag maar vanuit het aanbod zou plannen, schiet in één klap de waarde van bedrijventerreinen de hoogte in, stelt Karel van den Berghe. Je kan namelijk geen woontoren of kantoor circulair ontwikkelen zonder betonmolen, meubelmaker of schrijnwerker in de buurt.

Eerder dit jaar heb je een artikel gepubliceerd in ‘Gebiedsontwikkeling.nu’, waarin je stelt dat de rol van Nederland als distributieland, zowel logistiek als financieel, niet zonder risico is: de globale economie is (te) volatiel en de pandemie heeft dit ook aangetoond. Heeft de pandemie al een impact gehad op werklandschappen?

Werklandschappen in de stad en daarbuiten zijn aan het veranderen, deels door hoe wij het willen, deels door hoe de wereld het mogelijk maakt. Voorlopig is het nog ‘business as usual’. In crisistijd, grijpt iedereen naar wat bekend is en nemen we niet veel risico. Houden dus wat we hebben, zoals KLM of de duizenden koffiezaakjes. Maar we hebben nog geen echte economische crisis mee gemaakt; die klap moet nog komen. Ik ben benieuwd naar hoe de politiek zal reageren. Nu gaat het vooral om mitigeren maar we moeten vooral anticiperen. Het is misschien wel een goed moment om veel meer circulariteit naar boven te brengen, zowel in proces als in ruimte.

Circulaire economie is niet ingegeven door duurzaamheid, maar vooral door (geo)strategie. China heeft dit heel goed gezien. Als het een wereldleider wil worden, wat het in feite op korte tijd is geworden, dan moet het niet afhankelijk zijn van cruciale grondstoffen (materieel en immaterieel) vanuit niet/minder bevriende, of gecontroleerde, naties. Europa staat hierin nog best naïef, al worden er belangrijke stappen gezet. Industrie en grondstoffen zijn wel belangrijk, dit niet direct uitgedrukt in euro’s, maar vooral in strategie. Dat heeft Covid-19 aangetoond. Een enquête in Vlaanderen onder bedrijven heeft specifiek gevraagd naar de schade die bedrijven hebben ondervonden door Covid en daar een tweedeling in gemaakt: bent u circulair of niet? De bedrijven die circulair zijn, 66% daarvan heeft niets ondervonden qua moeilijkheden met leveringen. Omgekeerd, bedrijven die niet circulair zijn, 98% ondervinden problemen, dus bijna allemaal.

We gaan naar een herstructurering van de globale economie zoals wij vanuit het Westen die kennen, waarin het niet alleen belangrijk is dat je ‘heel slim’ bent en optimaal stromen kunt sturen (kennis, goederen, geld), maar ook de producten kunt maken – zeker degene die je echt nodig hebt. En dat is met name een zwakte van Nederland, en in het bijzonder van Amsterdam. Nederland is hier trouwens al vaker voor gewaarschuwd door de Europese commissie. We moeten dus ruimte maken voor de green deal, met name in de stad. Maar een duidelijke brug tussen ‘business as usual’ en iets nieuws ontstaat niet. Het gebeurt altijd geleidelijk. We zouden maar achteraf zien dat het al begonnen was. Waarschijnlijk is het al aan het veranderen, maar we zien het nog niet.

Als mensen uit de dienstsector steeds meer thuis werken, zouden we binnenkort grootschalige kantorenleegstand krijgen? Welke invloed heeft dit op de vraag naar bedrijventerreinen of op de verstedelijkingsopgave?

Het zou kunnen dat Covid een verandering teweeg brengt. Kantoren staan leeg, en geredeneerd vanuit wat functies kunnen bieden per vierkante meter, dit gecombineerd met wat we willen, zou het wel eens kunnen dat meer industriële functies terug in de stad komen, en al zeker diegene die steden vandaag en zeker in de toekomst (strategisch) nodig zullen hebben.

Echter denk ik niet dat Covid een verandering zal brengen. De leegstand van kantoren wordt in feite ingevuld door de hoge nood aan woningen. Je kunt je dus afvragen of de woningnood, en dus meer algemeen het idee van de ‘triumph of the city’ (Glaeser, Edward, 2011) ‘natuurlijk’ is, of dat die vooral nodig is om prijzen in de stad hoog te houden. Je kunt natuurlijk met data aantonen dat het goed vertoeven is in de stad, maar we moeten ook nagaan met welke kost dit gebeurt. Doreen Massey zei al in de jaren 70 dat het niet natuurlijk is dat Londen de economische motor is van de UK, maar vooral een gevolg is van de grote publieke investeringen.

Ik denk dus dat de stad nog wel even door zal gaan op zijn ‘optimalisatie’, maar het wordt daardoor wel steeds afhankelijker van ‘the non-city’. Grondstoffen komen vanuit de rest van de wereld, maar ook binnen Nederland speelt dit. De Randstad is leefbaar omdat het bijvoorbeeld de nodige logistieke hallen, of de voedselvoorziening, van buitenaf haalt. Is het dus eerlijk dat de rest van Nederland steeds minder leefbaar wordt, en daarenboven ook nog eens zijn belastinggeld ziet vloeien naar de Randstad? Dit is deels kort door de bocht, maar wel een discussie waard.

Floor Milikowski heeft een artikel voor de Groene Amsterdammer geschreven over de noordoever van het IJ en hoe het anders ontwikkeld zou kunnen zijn. Er is een groeiend besef dat we niet nog eens kantoren, hotels en dure appartementen moeten hebben, maar dat we ook moeten kijken naar functies die er in feite toe doen voor de stad – voorbij de agglomeratiestatistieken: maakindustrie, stadslandbouw, parken. Dat kan structureel veranderen en de discussie wordt tenminste al gevoerd.

Kan de groeiende ongelijkheid en ontevredenheid de overheid onder druk zetten om andere keuzes te maken?

We zitten op een kantelpunt waar het in twee richtingen kan gaan. Het kan erger worden, en beter voor sommigen, dat we een versnelling krijgen van het systeem waar we in zitten. Dat de arbeider meer wordt benadeeld, dat privaat geld nog meer in belang stijgt, onderwijs dat duurder wordt, duurdere woningen. Anderzijds, kunnen we hopelijk een tegenreactie krijgen. Het is een politiek schakelspel tussen het belang van enkelen, en het belang van velen. De jongere generatie zal het voortouw moeten nemen, maar doet dat niet. Ook dit is niet zomaar. Wie is er nog lid van een vakbond bijvoorbeeld? Los van wat je voelt bij een vakbond, is het wel een mechanisme om gezamenlijk een stem te hebben. Dat is er niet echt meer. We hebben een stijgende ongelijkheid, en daar is geen grens op, kijk maar naar de Verenigde Staten of het Verenigd Koninkrijk. En ook Nederland is geen uitzondering (Lees meer: advies Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur ‘Toegang tot de Stad’)

We zien het in de woningmarkt die geliberaliseerd is, we zien het in de verschuiving van publiek geld naar privaat geld (als je geld hebt word je rijker, als je geen geld hebt word je armer). We zien het aan de ruimtelijke planning als we kijken naar bedrijventerreinen of naar de Randstad. We ontwikkelen niet altijd wat het beste is voor de stad, maar wat het beste is voor de portemonnee; en dat is niet altijd hetzelfde. En dat is niet echt de schuld van iemand, maar deels het systeem waarin we zitten. Je kan je dus de vraag stellen in welke mate we zelf kiezen wat er gebeurt in de stad, of in hoeverre we deel zijn van het systeem dat dit bepaalt.

De transitie naar circulair lijkt een onvermijdelijk onderdeel te zijn van de green deal, maar de ruimtelijke implicaties hiervan blijven onduidelijk. Wat kunnen we leren van het onderzoek naar de Binckhorst?

Op vlak van de Binckhorst zal er hoogstwaarschijnlijk op korte of lange termijn een duurzame circulaire woonwijk verschijnen, maar dat zal enkel mogelijk zijn als andere plaatsen de functies hebben waar het circulaire materiaal vandaan komt voor de bouw nu, en natuurlijk ook in de toekomst. Dit is dan ook een paradox, want veel van deze materialen komen vandaag van functies die op de Binckhorst gesitueerd zijn, en die dus gaan verdwijnen. Dit niet alleen uit de Binckhorst, maar ook uit Den Haag, gezien de Binckhorst het laatste industriële terrein is in Den Haag. Je kan dus stellen dat Den Haag zelf minder circulair zal worden, of alleszins minder zeggenschap zal hebben op de circulaire functies die hiervoor nodig zijn, want die zullen voorbij hun gemeentegrenzen liggen.

De keuze tussen industriële (circulaire) functies en (circulaire) woningen speelt in veel gemeenten. In dit licht wordt vaak het concept van een circulaire hub aangehaald als de oplossing. Het idee is dat er een plaats komt waar de materiaalstromen kunnen samenkomen en elkaar kunnen vinden en zo het probleem van vele gemeenten, op een of meerdere plaatsen kan oplossen. In sommige – maar niet alle – wordt ook geredeneerd dat hier (her)productie moet bijkomen, want het moet niet louter een distributiecentrum zijn, maar ook een plaats waar producten net wat kunnen aangepast worden en zo kunnen hergebruikt worden in dezelfde regio. Tot nu toe is het echter vooral een strategie om woningbouw te realiseren op bestaande industrieterreinen. Kijken we bijvoorbeeld naar de Binckhorst dan zijn er genoeg stemmen die zeggen dat de bestaande industrie zou moeten blijven, al dan niet gelinkt aan circulariteit. Wel om dit te counteren kan je zeggen “geen zorgen, we zoeken een veel betere plaats waar nieuwe investeringen door publiek en privaat kan gedaan worden, en waar je met mindere zorgen kunt opschalen”. Dit is de theorie en klinkt natuurlijk heel goed. Maar welke gemeente wil dit? Zo’n hub zal veel ruimte innemen en het zal ook niet zo’n aangename plaats zijn om te komen, alleen al door het zware verkeer. Veel geld zal er ook niet mee verdiend worden, toch niet ten opzichte van alle andere functies die er kunnen komen.

Daarom vind ik het idee van een circulaire hub en hoe het gebruikt wordt, niet goed op dit moment. Het wordt niet gebruikt om de circulaire functies die we weten essentieel zullen zijn, te clusteren en waarborgen, het wordt gebruikt om het argument te counteren dat waar ze nu zitten ze behouden moet blijven. In feite zou het zo moeten gebeuren: men mag pas (circulair) bouwen als eerst de capaciteit om dit te doen aanwezig is. Dit is hetzelfde principe als met OV. Je bouwt pas een woonwijk als de tramlijn er ligt, want alleen dan zal het lukken dat mensen het OV zullen nemen en niet gewend zullen worden aan hun auto. Zowel op vlak van circulariteit, als op vlak van OV en woningbouw, gebeuren beide nu niet.

Mocht je dus circulaire economie niet vanuit de vraag, maar vanuit het aanbod plannen, dan zou in een klap de waarde van bedrijventerreinen de hoogte inschieten, want je kan geen circulaire woontoren of kantoor bouwen, zonder een betonmolen, meubelmaker of schrijnwerker in de buurt. Voor beton is dit des te belangrijker, want er is slechts een beperkte rijafstand mogelijk (ongeveer 15km, nadien verhard beton te snel). Maar ook voor alle andere functies kun je dit argumenteren om dit in de gemeente of regio te houden. Want dan heb je ook invloed op het beleid en op de manier hoe die werken. Opnieuw, dit heeft te maken met strategie, en niet vanuit financieel oogpunt.

We hebben al veel functies die op de juiste locatie zitten en ook genoeg verspreidt nabij de vraag. We hebben al heel veel om circulair te kunnen functioneren vandaag, we hoeven het warm water niet opnieuw uit te vinden. Wetenschappers zouden een belangrijke rol kunnen spelen in dit maatschappelijk debat, ook onafhankelijke partijen zoals Vereniging Deltametropool. Want, het is niet een kwestie om pro of tegen circulariteit te zijn, maar om de balans te bewaren tussen tegenstrijdige belangen, in dit geval, tegenstrijdig ruimtelijke agenda’s. Op basis van wetenschappelijke inzicht, goede studies en goede communicatie proberen we die noodzaak van bedrijventerreinen naar voren te schuiven, en vooral hun belang in de (circulaire) toekomst. Jullie Atlas Architectuur van Arbeid is daar heel nuttig in.

In een circulaire context zal kennis en productie dichterbij elkaar moeten komen en ook de diverse arbeidskracht die daarbij hoort. Welke rol zouden bedrijventerreinen hierin kunnen spelen?

Bedrijventerreinen die dicht bij de stad liggen, die zullen in belang stijgen, want net op die strategische plaatsen komen kennis en productie samen, en dit wordt steeds belangrijker (Tesla is bijvoorbeeld een bedrijf dat in tegenstelling tot ‘outsourcing’ het hele productieproces bijeenhoudt, van design tot assemblage zodat de ontwerper van de auto de auto kan aanraken). Voor wat er vandaag in steden gebeurt, kunnen er lessen getrokken worden van wat er in havens gebeurd is. Havengebieden zijn enorm gegroeid sinds de tweede helft van vorige eeuw. Kantoren staan her en der verspreid, nabij hun faciliteiten. Meer en meer hebben deze bedrijven moeite om gekwalificeerd personeel aan te trekken, want je staat altijd in de file, en het zijn geen aangename plekken om te werken. Meer en meer, ondervinden havenbedrijven dat ze daarom weg geconcurreerd worden door bedrijven die wel op mooie stedelijke locaties zitten. Omgekeerd, de stad heeft veel van de havenfuncties nodig, maar als die geen gekwalificeerd personeel kunnen aantrekken, daalt de innovatiekracht en hun competitiviteit, en schaadt het dus ook de stedelijke economie.

Stedelijke kennis en productie hebben elkaar nodig, daarom moeten we er dus ook ruimtelijk zo over denken. Antwerpen is bijvoorbeeld een stad die al expliciet gezegd heeft dat de bestaande industrieterreinen nabij hun stedelijk centrum niet mogen ingenomen worden door de woonfunctie, maar dat er enkel bedrijvigheid mag komen, in het bijzonder de maakindustrie. Dit redeneren ze vanuit hun ervaring dat in het verleden het mengen van wonen en (maak) werken niet gelukt is, en wonen altijd het pleit won. Maar Antwerpen beseft dat de stad ook die maakindustrie nodig heeft, en het nodig is dat urbane kennis zijn weg vindt naar de productie, in dit geval dus zijn haven. Strategisch voor de regio zijn bedrijventerreinen in of nabij de stad dus heel waardevol, je moet het alleen ook zo benaderen.

Men zegt vaak dat de Binckhorst niet gemengd is. Dit klopt op gebiedsniveau, maar op regionaal vlak natuurlijk helemaal niet. Op grotere schaal ligt de Binckhorst perfect gemengd, het ligt middenin een van de meest urbane delen van Nederland. De waarde van zo’n gebied om de rest circulair te maken, is en zal dus gigantisch zijn. Maar het is denk ik te laat. De residentiele ontwikkelagenda zal hoogstens wat ‘creatieve’ industrie toelaten in het gebied. En ook dit is begrijpelijk, je wilt niet wonen naast een asfaltcentrale. De circulaire ambitie van Den Haag en van de Binckhorst is er, en die is ook goed, maar zal voor een groot deel mogelijk gemaakt worden – of niet – door functies die in andere gemeenten en verder liggen. Als die gemeenten die functies ook niet willen, dan zal de circulaire ambitie van Den Haag niet lukken. Dus vanuit strategisch punt verliest Den Haag dus een grote (potentiele) meerwaarde, dit omdat we vanuit agglomeratie denken sterk geloven dat een stad enkel succesvol kan zijn door het groeien in aantallen, jobs, toegevoegde waarde en inwoners.

Het heeft dus veel te maken met hoe wij ruimte in de stad inzetten volgens welke agenda en hoe we dat definiëren en welke variabelen we gebruiken. Op dit moment wordt het voornamelijk financieel-economisch bekeken en vanuit talloze lijstjes om maar net iets beter te doen dan die andere stad. Maar in lijstjes zit vaak geen strategie, en zit geen verklaring of uitleg hoe een stad werkt of zou moeten werken, in eerste instantie voor zijn bestaande inwoners vandaag.

terug naar boven terug naar boven