Omgevingstaal

Bloemlezing door Joks Janssen

Naar aanleiding van de lancering van de NOVI heeft Joks Janssen via Twitter opgeroepen om je favoriete dichtregels over de omgeving te delen. Hier is enthousiaast op gereageerd. Lees de bloemlezing die hij speciaal voor onze laatste nieuwsbrief schreef.

Door Joks Janssen

‘De onlangs gepresenteerde (Ontwerp) Nationale Omgevingsvisie (NOVI) bevat naast tekeningen veel tekst. Met behulp van die tekst wordt taal gegeven aan de ruimte. Dat blijft niet zonder gevolgen. Via woorden proberen we greep te krijgen op de ruimte, om deze vervolgens naar onze hand te zetten.

Taal en handelen liggen in elkaars verlengde. Semantische discussies vormen in zekere zin de kern van ons vak. In dat licht bezien is de vervanging van het begrip ‘ruimte’ door ‘omgeving’ in de titel van deze rijksnota allerminst betekenisloos. Het is een voorbeeld van wat de bestuurskundige Mark van Twist ‘verbale vernieuwing’ noemt: het introduceren van woorden en begrippen waardoor de overheid een ander beeld van de werkelijkheid oproept.

Wie op zoek gaat naar de betekenis van beide begrippen ontdekt al snel een subtiel maar wezenlijk verschil. Een blik in het woordenboek leert ons dat ‘ruimte’ staat voor ‘beschikbare uitgestrektheid’. Ruimte is ongeordend en ligt open voor nieuw gebruik. Het impliceert ordening van bovenaf: planmatig en gestructureerd. Omgeving daarentegen staat voor ‘de kring personen waarin iemand zich begeeft’ en ‘nabijheid’. Het gaat het om de directe kring waarin de mens zich begeeft: zijn straat, buurt of wijk. Waar ruimte het domein van experts is, behoort omgeving aan de bewoners toe. Dat is, in de woorden van Jules Deelder, niet meer dan logisch:

De omgeving

van de mens

is de medemens.

Waar ruimtelijke ordening een weerspiegeling is van investeringsbeslissingen en regels van hogerhand, is ze in het nieuwe omgevingsbestel verknoopt met sociale netwerken. De dichterlijke associaties die mensen hebben bij dit nieuwe bestel wijzen ook in die richting: ze cultiveren de betrokkenheid van onderop. Tegenover de prozaïsche beleidstaal van de staat verschijnt – letterlijk – de poëtische leefwereld van de straat. In reactie op mijn oproep je favoriete gedicht over de omgeving in te sturen, kwamen niet voor niets opvallend veel gevelgedichten binnen. Onze leefomgeving van straat, buurt en wijk blijkt taalrijk: van dichterlijke statements bovenop gebouwen tot complete gedichten op blinde muren en gevels.

De dichterlijke ‘straattaal’ werkt in veel gevallen als sociaal bindmiddel; maïzena voor het bijzondere mengsel van mens en omgeving, dat in een proces van eeuwen is ontstaan. Ze roept bij de meesten van ons gevoelens van nabijheid, herkenning en vertrouwdheid op. Gevoelens, die door Willem Wilmink op prachtige wijze zijn verwoord:

Je voelt je razendsnel vertrouwd

met oude steden, fraai gebouwd

om torens heen:

al kende je daar heg nog steg,

na een klein uur vind je de weg

heel goed alleen.

Straattaal bindt niet alleen, maar roept ook op om zorgvuldig te kijken. De behoefte om jezelf te verwonderen over wat je ziet in je directe omgeving is bij de meeste inzenders groot. Taal is een prisma om het licht van stad en land te breken, totdat het uiteenspat in een ongekend kleurenpalet. Of, zoals K. Schippers, opmerkt:

Als je goed om

je heen kijkt

zie je dat alles

gekleurd is

Onze omgeving, zo lijken veel inzenders te willen zeggen, bestaat uit doorleefde en dus gelaagde plekken, vol van sociale en culturele betekenis. Om die betekenis te doorgronden zul je bestaande zienswijzen achter je moeten laten. Het gaat om reizen.

Je moet niet alleen, om de plek te bereiken

Thuis opstappen, maar ook uit manieren van kijken

Er is niets te zien, en dat moet je zien

Om alles bij het zeer oude te laten.

Met deze strofe raakt Herman de Coninck ook aan de herinneringen die worden ‘afgezet’ in onze leefomgeving. Veel ingezonden gedichten verhalen over een niet aflatend gesprek tussen mensen, stad en landschap. Stefan Hertmans spreekt in dit verband over plekken als een vermenigvuldiging van ruimte én tijd. Je bekijkt de stad anders wanneer je zijn herinneringen met je meedraagt. En ook Ilja Leonard Pfeijffer dicht over de dynamische biografie van idealen en gedachten die wij telkens in het (ogenschijnlijk) statische patroon van stenen en straten weven:

Een stad is nooit een stratenplan met grachten

conform bestemmingsplannen volgebouwd

waar men zich aan de weersvoorspelling houdt

en in zijn postcodegebied blijft wachten

tot huizenprijzen stijgen. _________________________________________________________________________________________________________________

In gedachten

bouwt iedereen zijn eigen stad, met goud

bestraat en gonzend van een eeuwenoud

gesprek met wie de stad voorheen bedachten

 

Hoe verschillend ook, in de rijke oogst aan gedichten lijkt de abstracte ruimte zich te verdichten tot een door mensen bewoond, zintuigelijk ervaarbaar en emotioneel geladen landschap. Als geen ander blijkt de taal van de poëzie in staat om de abstracte ruimte te bevoelen en betasten, en daarmee langzaam maar zeker tot onze (leef)omgeving te maken. Hopelijk is de verbale vernieuwing van de NOVI in staat om dit verlangen naar een rijkere omgevingstaal te vervullen.’

Joks Janssen is architect-stedebouwkundige. Als directeur van BrabantKennis helpt hij bestuurders en beleidsmakers om greep te krijgen op de toekomst. Daarnaast is hij als onderzoeker, auteur en opiniemaker actief op het snijvlak van erfgoed en ruimte.

terug naar boven terug naar boven